ECLI:NL:RBDHA:2017:8112

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2017
Publicatiedatum
21 juli 2017
Zaaknummer
17/6254
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 VbArt. 3.22 VbArt. 3.74 VbArt. 4:84 AwbArtikel 8 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken geldig huwelijk en middelenvereiste

Eiser, van Somalische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland om bij zijn vermeende echtgenote en hun kinderen te verblijven. Hij stelde dat hij in Kenia met haar was gehuwd. Verweerder wees het verzoek af omdat geen gelegaliseerde huwelijksakte was overgelegd en het middelenvereiste uit het Vreemdelingenbesluit 2000 niet was voldaan.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een gelegaliseerde huwelijksakte betekent dat geen sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk. Ook was niet gebleken dat sprake was van een geregistreerd partnerschap. Hierdoor is de gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing en kan het middelenvereiste worden geëist.

Eiser stelde dat vrijstelling van het middelenvereiste had moeten worden verleend, maar dit beroep faalde omdat het Vreemdelingenbesluit een algemeen verbindend voorschrift is. Ten slotte werd geoordeeld dat geen schending van artikel 8 EVRM Pro is aangetoond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een geldig huwelijk en niet voldoen aan het middelenvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/6254
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. M.S. Yap,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.F. van der Lubbe.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 februari 2017.
Van verweerder is een beroepschrift ontvangen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig L. Warsame, tolk Somalisch. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Somalische nationaliteit, beoogt verblijf in Nederland bij zijn gestelde echtgenote, [referente], geboren op [geboortedatum] en eveneens van Somalische nationaliteit (referente), met wie hij in Kenia stelt te zijn gehuwd, en hun vier kinderen. Daartoe is een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf bij familie en gezin voor eiser gevraagd. Referente beschikt over een geldige verblijfstitel in Nederland. Eiser heeft een verblijfsvergunning in Italië.
2. Verweerder heeft aan het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde mvv in aanmerking komt, het volgende ten grondslag gelegd. Geen sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk, nu geen gelegaliseerde huwelijksakte is overgelegd. Verder is niet voldaan aan het middelenvereiste uit artikel 3.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Er is geen aanleiding van het beleid af te wijken.
3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Ingevolge artikel 3.14, aanhef en onder a, van het Vb wordt een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid verleend aan de vreemdeling van 21 jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan.
Ingevolge artikel 3.22, eerste en tweede lid, van het Vb wordt de hiervoor bedoelde verblijfsvergunning verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, van het Vb dan wel – voor zover van belang – blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
5. Niet in geschil is dat een gelegaliseerde huwelijksakte ontbreekt. Eiser heeft aangevoerd dat de Keniaanse autoriteiten niet aan legalisatie willen meewerken, maar die stelling niet met stukken of anderszins onderbouwd. Derhalve heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap. Nu geen sprake is van een
naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of geregistreerd partnerschap, is hoofdstuk V van de richtlijn 2003/86/EG (gezinsherenigingsrichtlijn) niet van toepassing. Dit betekent dat verweerder kan verlangen dat aan het in artikel 3.22 van het Vb gestelde middelenvereiste wordt voldaan.
6. Voorts is niet in geschil is dat niet aan het in artikel 3.22 van het Vb neergelegde middelenvereiste wordt voldaan, nu referente een bijstandsuitkering krijgt. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid. Verder is aangevoerd dat vrijstelling van het middelenvereiste op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten worden verleend. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH5611) volgt dat reeds omdat artikel 3.14 van het Vb een algemeen verbindend voorschrift is, het beroep op artikel 4:84 van Pro de Awb faalt.
7. Ten slotte is een beroep op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gedaan. Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat afwijzing van de aanvraag geen schending van dit artikel oplevert, reeds omdat geen sprake is van beëindiging van rechtmatig verblijf van eiser in Nederland.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden aan partijen op: