Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
ProcesverloopEiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juni 2017 (het bestreden besluit).
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
b) er bestaat geen risico op ernstige schade in de zin van Richtlijn 2011/95/EU;
c) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd;
e) de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève.
b) voorschriften betreffende de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip „veilig derde land” op een bepaald land of een bepaalde verzoeker kan worden toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig;
c) voorschriften overeenkomstig de internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde verzoeker veilig is; deze voorschriften moeten ten minste de verzoeker in staat stellen de toepassing van het begrip „veilig derde land” aan te vechten op grond van het feit dat het derde land in zijn specifieke omstandigheden niet veilig is. De verzoeker moet ook in de gelegenheid worden gesteld om het bestaan van de onder a) bedoelde band tussen hem en het derde land aan te vechten.
b) hem een document te verschaffen waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht.