De rechtbank Den Haag behandelde op 22 juni 2017 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot woninginbraak in Gouda op 15 maart 2017. Volgens verklaringen waren er minimaal twee tot drie in het zwart geklede personen betrokken bij de poging tot inbraak. Verdachte werd kort na de melding in de directe nabijheid van het delict gezien en vertoonde opvallend gedrag door in een sloot te springen en zich onder een vlonder te verbergen.
Hoewel deze gedragingen duiden op betrokkenheid, kon de rechtbank niet vaststellen wat de precieze rol van verdachte was en of deze groter was dan die van een medeplichtige. Hierdoor ontbrak het aan voldoende wettig en overtuigend bewijs om verdachte te veroordelen voor poging tot woninginbraak in vereniging. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van deze tenlastelegging.
Daarnaast behandelde de rechtbank een vordering van de officier van justitie tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte wegens het vermeende niet naleven van de algemene voorwaarden. Omdat verdachte werd vrijgesproken van het strafbare feit, kon niet worden vastgesteld dat hij de voorwaarden had geschonden. De rechtbank wees daarom deze vordering af.
De uitspraak werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis ondertekenden.