ECLI:NL:RBDHA:2017:8224

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2017
Publicatiedatum
24 juli 2017
Zaaknummer
NL17.3662
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 Richtlijn 2013/33/EU
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid België

Eiseres heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is, aangezien zij daar eerder een asielaanvraag deed. Eiseres betoogde dat zij en haar minderjarige kind bij terugkeer naar België geen opvang zouden krijgen, onderbouwd met een schrijven van Fedasil en verwijzing naar het arrest Tarakhel van het EHRM.

De rechtbank oordeelde dat uit het Fedasil-schrijven niet blijkt dat eiseres en haar kind geen recht op opvang hebben, mede omdat zij beroep kan instellen tegen een eventuele weigering. De rechtbank benadrukte dat de Opvangrichtlijn voorziet in beperkingen bij opvolgende aanvragen, maar ook in waarborgen voor kwetsbare personen en het evenredigheidsbeginsel.

Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat België deze waarborgen niet zal naleven, is er geen reden voor Nederland om vooraf garanties te vragen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat België verantwoordelijk is en opvang wordt verwacht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.3662
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat België verantwoordelijk wordt geacht voor de beoordeling van die aanvraag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3663, plaatsgevonden op 13 juli 2017. Eiseres is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.
2. Niet in geschil is dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, omdat zij eerder in dat land een asielaanvraag heeft ingediend. Wel in geschil is of Nederland deze verantwoordelijkheid niettemin aan zich moet trekken omdat te verwachten is dat opvang in België voor eiseres en haar op [geboortedatum] geboren kind wordt geweigerd.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij bij terugzending naar België geen opvang zal ontvangen, nu geen sprake (meer) is van een eerste asielaanvraag. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres een schrijven van 23 december 2016 van Fedasil (het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers) overgelegd, waaruit zou blijken dat zij bij haar tweede aanvraag geen opvang heeft gekregen. Eiseres beroept zich daarom op het arrest Tarakhel tegen Zwitserland van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014 (nr. 29217/12), en stelt dat verweerder zonder waarborg van de Belgische autoriteiten dat de opvang voor eiseres en haar kind gegarandeerd is, de zaak niet kan overdragen aan België.
4. Anders dan eiseres heeft aangevoerd, kan uit het schrijven van 23 december 2016 van Fedasil niet worden afgeleid dat eiseres en haar minderjarige dochter geen recht op opvang hebben in België. In het schrijven staat weliswaar vermeld dat bij een opvolgend aanvraag de materiële hulp zich beperkt tot medische begeleiding, maar ook dat hiertegen beroep kan worden ingesteld bij de Arbeidsrechtbank van Brussel. Van eiseres mag worden verwacht dat zij bij een eventuele weigering van opvang in België gebruik maakt van de daar beschikbare rechtsmiddelen. In dit verband wordt overwogen dat artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van richtlijn 2013/33/EU (de Opvangrichtlijn) weliswaar bepaalt dat opvangvoorzieningen kunnen worden beperkt of ingetrokken als er sprake is van een opvolgende aanvraag, maar dat uit het vijfde lid voortvloeit dat de beslissingen als bedoeld in het eerste lid met redenen omkleed moeten zijn en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie van betrokkene, met name als het gaat om kwetsbare personen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Belgische autoriteiten naar verwachting geen toepassing zullen geven aan deze bepalingen. Er is daarom geen aanleiding om van verweerder te verwachten dat hij voorafgaande aan de overdracht van eiseres en haar kind specifieke garanties vraagt aan de Belgische autoriteiten omtrent de opvang tijdens hun asielprocedure.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel