Eiser, een levenslanggestrafte, verzocht incidenteel verlof ten behoeve van zijn resocialisatie. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna eiser beroep instelde bij de RSJ. De RSJ verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat verlof onderdeel moest zijn van het resocialisatieplan. De staatssecretaris nam vervolgens een beslissing waarin verlof werd toegekend onder voorwaarden, maar pas na ontvangst van rapportages van een forensisch psychiatrische polikliniek.
Eiser vorderde in kort geding dat de staatssecretaris een nieuwe verlofbeslissing zou nemen, zodat hij uiterlijk binnen zeven dagen zijn eerste verlof zou krijgen en dat de aard en frequentie van verloven tot juni 2018 werden vastgelegd. De staatssecretaris voerde verweer en stelde dat eiser niet-ontvankelijk was omdat de RSJ de aangewezen instantie is en eiser zijn beroep bij de RSJ had ingetrokken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de RSJ de juiste instantie is en dat het beroep van eiser bij de RSJ was ingetrokken, waardoor de beslissing van de staatssecretaris formele rechtskracht heeft gekregen. Hierdoor kan de burgerlijke rechter niet meer over de inhoud van de beslissing oordelen. Ook als het beroep niet was ingetrokken, zou de beslissing niet anders zijn geweest. Eiser werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.