ECLI:NL:RBDHA:2017:8379

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juli 2017
Publicatiedatum
26 juli 2017
Zaaknummer
AWB 17_11598
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 13 DublinverordeningArt. 14 EurodacverordeningVerordening (EU) 604/2013
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië

Eiser, een Soedanese nationaliteit, diende op 24 maart 2017 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij op 22 oktober 2016 illegaal via Italië de EU-buitengrens was binnengekomen. Nederland verzocht Italië om overname van de asielaanvraag, waarop Italië instemde.

De staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat hij in Italië was misleid en onder dwang vingerafdrukken had afgegeven, en dat Nederland de aanvraag moet behandelen.

De rechtbank oordeelde dat het feit dat vingerafdrukken onder dwang zijn afgenomen niet leidt tot een andere verantwoordelijke lidstaat en dat de intentie van eiser om in Nederland asiel aan te vragen niet relevant is. Er waren geen aanwijzingen dat Italië zijn verplichtingen niet nakomt of dat overdracht onevenredige hardheid oplevert.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees erop dat eiser bij problemen met de afname van vingerafdrukken bij de Italiaanse autoriteiten moet klagen. Er was geen reden om de asielaanvraag in Nederland te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Italië verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/11598
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. H.W.F. Klarenaar,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N. Hamzaoui.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 juni 2017 (het bestreden besluit).
Dat beroep is samen met het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 17/11600) ter zitting behandeld op 28 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. N. Alwardani heeft als tolk gefungeerd in de Arabische taal. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Soedanese nationaliteit, heeft op 24 maart 2017 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland ingediend.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Verordening (EU) 603/2013 (Eurodacverordening) op 22 oktober 2016 op illegale wijze heeft overschreden via Italië. Verweerder heeft de autoriteiten van Italië op grond van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening) op 18 april 2017 verzocht eiser over te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben hiermee ingestemd op 14 mei 2017.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat verweerder Italië daarvoor verantwoordelijk acht.
4. Eiser heeft daartegen aangevoerd dat hij in Italië is misleid wat betreft het afgegeven van vingerafdrukken. Eiser wilde niet in Italië blijven maar doorreizen naar familieleden in Nederland. Ten aanzien van Italië kan niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder moet toepassing geven aan artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Niet in geschil is dat eiser in Italië zijn vingerafdrukken heeft afgegeven. Dat eiser door de Italiaanse autoriteiten gedwongen zou zijn om zijn vingerafdrukken af te geven en dat hij de intentie heeft gehad om in Nederland een verzoek om internationale bescherming in te dienen, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Ingevolge artikel 14 van Pro de Eurodacverordening zijn de lidstaten verplicht om illegaal op het grondgebied van de lidstaten binnengekomen vreemdelingen te registreren. Verweerder heeft dan ook terecht middels het claimakkoord verzocht om overname op grond van artikel 13 van Pro de Dublinverordening. Dat de afname van de vingerafdrukken van eiser onder dwang gebeurd zou zijn kan niet leiden tot een ander oordeel. Eiser behoort over de wijze van handelen bij afname van de vingerafdrukken te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Verder wijst de rechtbank erop dat voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat onder de Dublinverordening de intentie van de individuele asielzoeker geen rol speelt, zodat ook deze grond niet kan slagen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan uit mag gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt.
Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië dat niet doet. Er is niet gebleken van aanwijzingen voor systeemfouten in de asielprocedure of de opvang van asielzoekers in Italië. Verder is uit eisers verklaringen niet af te leiden dat Italië jegens hem zijn internationale verplichtingen niet naleeft of zal naleven.
7. Er is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn gestelde tante en nicht in Nederland verblijven en er zijn geen instemmingsverklaringen overgelegd. Daarom zijn er geen feiten of omstandigheden die maken dat Nederland de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste of tweede lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.