ECLI:NL:RBDHA:2017:8480
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige naar Iran wegens worteling in Nederland
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de moeder om haar minderjarige kind terug te laten geleiden naar Iran, waar het kind voorheen woonde. De vader had het kind zonder toestemming van de moeder naar Nederland gebracht en hield het daar. De moeder baseerde haar verzoek op het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering en de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering.
De rechtbank stelde vast dat de overbrenging van het kind naar Nederland ongeoorloofd was, aangezien het verzorgingsrecht (hizanat) volgens Iraans recht bij de moeder lag en de vader zonder haar toestemming handelde. Echter, het verzoek werd afgewezen omdat meer dan een jaar was verstreken sinds de overbrenging en het kind inmiddels geworteld was in Nederland.
De rechtbank nam daarbij in aanmerking dat het kind sinds mei 2016 in Nederland verblijft, naar school gaat, Nederlands spreekt, deelneemt aan kerkelijke activiteiten en een sociaal netwerk heeft opgebouwd. De emotionele en fysieke binding met Nederland woog zwaarder dan de binding met Iran. De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind het verzoek tot teruggeleiding niet rechtvaardigt en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Iran wordt afgewezen wegens worteling in Nederland.