ECLI:NL:RBDHA:2017:8495

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2017
Publicatiedatum
28 juli 2017
Zaaknummer
NL17.4041
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 34 Verordening (EU) 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 5 maart 2017 een asielaanvraag in, die door verweerder op 28 juni 2017 niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser reeds in Portugal een verblijfsvergunning had verkregen via relocatie vanuit Italië. Uit het onderzoek op basis van de Dublinverordening bleek dat eiser op 27 oktober 2015 in Italië en op 1 maart 2016 in Portugal asiel had aangevraagd en dat hij in Portugal een verblijfsvergunning bezat die in september 2016 was verlengd.

De rechtbank oordeelde dat eiser terecht als meerderjarige werd beschouwd, omdat hij geen authentieke identificerende documenten had overgelegd die zijn minderjarigheid konden aantonen. Zijn kerkelijk doopcertificaat werd niet als geldig identificerend document erkend. Verweerder hoefde daarom geen leeftijdsonderzoek te verrichten. Daarnaast maakte eiser geen gebruik van de mogelijkheid om ter zitting zijn stellingen over het ontbreken van verblijfsrecht in Portugal toe te lichten.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.4041

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.L.J. Reijnen),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen ter zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 5 maart 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Italië op 27 oktober 2015 en in Portugal op 1 maart 2016 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 34 van Pro Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening) een onderzoek opgestart. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser vanuit Italië op grond van relocatie aan Portugal is overgedragen en dat hij aldaar in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning welke op 21 september 2016 is verlengd.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser. Eiser heeft geen authentieke identificerende documenten overgelegd waarmee hij zijn gestelde minderjarigheid onderbouwd. Ook heeft eiser in Italië verklaard dat hij op [geboortedatum] 1997 is geboren en daarbij een andere naam opgegeven. Eiser is dan ook in Italië geregistreerd als meerderjarige. Dat eiser tijdens het gehoor een doopakte heeft overhandigd maakt deze conclusie niet anders. Dit kerkelijk doopcertificaat kan immers niet worden aangemerkt als een identificerend document zoals omschreven in paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire. Verweerder heeft dan ook terecht geen leeftijdsonderzoek ingesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Voor zover de gemachtigde van eiser stelt dat hij niet heeft kunnen reageren op de stelling dat Portugal een verblijfsrecht zou hebben verleend omdat hij essentiële dossierstukken niet zouden hebben ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan leiden tot een gegrond beroep. Eiser heeft ook in de beroepsfase geen onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat hij in Portugal geen verblijfsrecht zou hebben en hij en zijn gemachtigde hebben van de mogelijkheid om het een en ander ter zitting toe te lichten geen gebruik gemaakt.
3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

Rechtsmiddel