ECLI:NL:RBDHA:2017:8846
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier wegens ontbreken geldige mvv en geen vrijstelling mvv-vereiste
Verzoekers, een moeder en haar zoon uit Georgië, vroegen een verblijfsvergunning regulier aan op grond van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Verweerder wees de aanvragen af omdat verzoekers niet beschikten over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstellingsgronden van toepassing waren. Verzoekers stelden dat er sprake was van een duurzame en exclusieve relatie tussen verzoeker en referent, waarbij ook een biologische band mogelijk was, en dat verweerder ten onrechte geen DNA-onderzoek had aangeboden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht het ontbreken van een geldige mvv en het niet aantonen van de biologische band in zijn beoordeling had betrokken. Het beleid om een DNA-test slechts aan te bieden bij bewijsnood en voldaan toelatingsvoorwaarden werd niet onredelijk bevonden. Verder werd vastgesteld dat verzoekers onrechtmatig in Nederland verbleven en dat verweerder terecht mocht meewegen dat het gezinsleven in Georgië kan worden voortgezet.
De rechter vond dat verweerder terecht had geoordeeld dat er geen objectieve belemmeringen waren om het gezinsleven in Georgië uit te oefenen en dat de banden met Nederland niet de gebruikelijke banden overstegen. Het beroep op de hardheidsclausule en artikel 4:84 Awb Pro werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het beroep werd ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening werden afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.