ECLI:NL:RBDHA:2017:8918
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken geldige mvv en onvoldoende bewijs wezenlijk Nederlands belang
Verzoeker, een Turkse zelfstandige, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking arbeid als zelfstandige. De aanvraag werd afgewezen omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeed aan de vrijstelling van het mvv-vereiste. Tevens kon niet worden vastgesteld dat verzoekers bedrijfsactiviteiten een wezenlijk Nederlands economisch belang dienden.
Verzoeker stelde dat het besluit spoedeisend belang had en dat het inreisverbod in strijd was met het Associatieverdrag. Hij voerde aan dat het ondernemingsplan en aanvullende stukken wel voldeden aan de eisen en dat zijn arbeid een wezenlijk Nederlands belang diende. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verweerder de juiste toetsingsvolgorde had gevolgd en dat het mvv-vereiste terecht was toegepast na inhoudelijke beoordeling.
De rechtbank vond het ondernemingsplan onvoldoende specifiek en onderbouwd, met omissies en tegenstrijdigheden, en dat verzoeker onvoldoende bewijs had geleverd van zijn rol en toegevoegde waarde in de onderneming. Ook de aanvullende stukken en een brief van een adviseur werden niet als bewijskrachtig erkend. Nieuwe stukken die kort voor de zitting werden ingediend, werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken geldige mvv en onvoldoende bewijs van wezenlijk Nederlands belang.