Eiser was sinds 2008 werkzaam als leerkracht met een deeltijdfactor en kampte vanaf 2013 met spanningsklachten en ziekte. Na een vaststellingsovereenkomst in 2014 volgde een re-integratieperiode met een passende werkplek bij een andere school. Ondanks inspanningen van verweerder ontstond een impasse doordat eiser zich niet kon losmaken van het verleden en geen vertrouwen had in verdere plaatsing.
Verweerder verleende op grond van artikel 4.7, onder k, van de CAO PO ontslag wegens gewichtige redenen. De rechtbank oordeelde dat de stichting als bestuursorgaan onder de lagere overheid valt en zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil. De rechtbank stelde vast dat de vaststellingsovereenkomst was nageleefd en dat het aanbod van een reguliere werkplek passend was.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat sprake was van treitergedrag en concludeerde dat de impasse een redelijke grond voor ontslag vormde. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat verweerder geen overwegend aandeel had in het ontstaan van de impasse. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.