Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag zorgtoeslag 2015 omdat deze niet tijdig was ingediend. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag uiterlijk 1 september 2016 ontvangen had moeten zijn, maar pas op 21 oktober 2016 werd ingediend. Hoewel eiser stelt dat hem dit niet kan worden verweten, oordeelt de rechtbank dat hij uit de brief van 8 december 2014 had moeten begrijpen dat een nieuwe aanvraag noodzakelijk was.
De rechtbank overweegt dat de brief duidelijk vermeldde dat de zorgtoeslag voor 2015 niet automatisch werd verlengd en dat een nieuwe aanvraag via Mijn toeslagen moest worden ingediend. Het niet ondernemen van actie door eiser komt voor zijn eigen rekening. Daarnaast is vastgesteld dat de brief geen rechtsmiddelenverwijzing bevatte, waardoor de termijnoverschrijding niet aan eiser kan worden toegerekend, maar dit verandert niets aan de noodzaak van een tijdige aanvraag.
Verder oordeelt de rechtbank dat de Belastingdienst bij de beslissing op bezwaar terecht is uitgegaan van het destijds bekende toetsingsinkomen en dat het standpunt van eiser hierover niet juist is. De rechtbank ziet geen schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.