ECLI:NL:RBDHA:2017:9502
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele geaardheid Iraakse asielzoeker
Eiser, een Iraakse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van zijn homoseksuele geaardheid. Hij stelde dat hij in Irak vanwege zijn geaardheid werd bedreigd en verstoten door familie en gemeenschap. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de seksuele geaardheid van eiser.
De rechtbank beoordeelde de geloofwaardigheid aan de hand van de werkinstructie WI 2015/9, waarbij werd gekeken naar consistentie en volledigheid van de verklaringen over privéleven, relaties, kennis van de Nederlandse situatie en ervaringen met discriminatie. De verklaringen van eiser bleken tegenstrijdig, summier en ongerijmd, met onvoldoende bewijs van een proces van bewustwording en acceptatie van zijn geaardheid.
Hoewel eiser ondersteunende verklaringen overlegde van COC-medewerkers en een psycho-diagnostisch rapport, achtte de rechtbank deze onvoldoende om de ongeloofwaardigheid weg te nemen. Ook de late overgelegde familieverklaringen werden niet meegewogen. De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als verdragsvluchteling kan worden aangemerkt of dat hij een reëel risico op ernstige schade in Irak loopt.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de Iraakse asielzoeker wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van zijn homoseksuele geaardheid en onvoldoende aannemelijkheid van risico op ernstige schade.