ECLI:NL:RBDHA:2017:955

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2017
Publicatiedatum
6 februari 2017
Zaaknummer
AWB 17/1743
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 17 Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, van Palestijnse afkomst, diende op 15 november 2016 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Luxemburg verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiser stelde dat hij in Luxemburg slachtoffer was van diefstal, bedreiging, mishandeling en verkrachting vanwege zijn homoseksuele geaardheid en vreest dat hij daar geen bescherming kan krijgen. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij ervan wordt uitgegaan dat eiser zich tot de Luxemburgse autoriteiten kan wenden, ook bij vrees voor schending van artikel 3 EVRM Pro.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid ontbreekt en verklaarde zelf geen problemen met de Luxemburgse autoriteiten te hebben. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht geen aanleiding had om de aanvraag aan zich te trekken. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/1742
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
gemachtigde: mr. N. van Luijk,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. S. Verdonck.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Luxemburg verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 17/1743, plaatsgevonden op 2 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig C. Atrushic, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Palestijnse afkomst. Hij heeft op 15 november 2016 een asielaanvraag ingediend.
Eiser heeft eerder een asielaanvraag in Luxemburg ingediend. Niet in geschil is dat de autoriteiten van dat land verantwoordelijk zijn voor het behandelen van eisers asielaanvraag.
Eiser heeft aangevoerd dat hij in de opvang voor asielzoekers in Luxemburg is bestolen, bedreigd, mishandeld en verkracht vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Verder heeft hij aangevoerd dat hij vreest de daders in een klein land als Luxemburg weer tegen te zullen komen en dat hij er geen vertrouwen in heeft dat de Luxemburgse autoriteiten hem bescherming kunnen bieden tegen hen.
De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van Luxemburg kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit hoofde van dat beginsel kan ervan worden uitgegaan dat eiser zich indien nodig kan wenden tot de daartoe aangewezen autoriteiten in Luxemburg, ook als het betreft een vrees voor een behandeling als genoemd in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid voor hem niet bestaat. In dit verband is mede relevant dat eiser in zijn gehoor heeft verklaard geen problemen te hebben met de autoriteiten in Luxemburg. Dat Luxemburg in de beleving van eiser een klein land is, doet daaraan niet af. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken als bedoeld in artikel 17 van Pro de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Het beroep is daarom ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.