ECLI:NL:RBDHA:2017:9620
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid
Eiser, een Oegandese man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende vervolging in Oeganda. Hij stelde dat hij was betrapt tijdens seksuele handelingen met een man en daarop was gearresteerd en vervolgd. Na zijn vrijlating verbleef hij ondergedoken en verliet hij Oeganda legaal.
De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, met name de inconsistenties in het verhaal over het bewustwordingsproces van zijn geaardheid en de geloofwaardigheid van overgelegde documenten. De rechtbank oordeelde dat eiser conform de geldende werkinstructie was gehoord en dat de staatssecretaris terecht gewicht had toegekend aan de tegenstrijdigheden en het gebrek aan overtuiging in het relaas.
De rechtbank vond dat de verklaringen over het moment van bewustwording, de vage en wisselende antwoorden over zijn zelfacceptatie, en het ontbreken van concrete kennis over de LHBT-organisatie niet overtuigden. Ook de documenten ter ondersteuning werden door het Bureau Documenten als waarschijnlijk vals beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat de homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig waren en dat er geen schending van artikel 3 EVRM Pro was bij terugkeer.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid is ongegrond verklaard.