ECLI:NL:RBDHA:2017:9978
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, een Libische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder wees dit verzoek af op basis van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat volgens de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser eerder asielaanvragen in Zwitserland en Duitsland had ingediend, waarbij Duitsland zijn aanvraag op 24 februari 2017 had afgewezen.
Eiser betwistte de verantwoordelijkheid van Duitsland niet, maar stelde dat hij geen vertrouwen had in de Duitse autoriteiten vanwege persoonlijke ervaringen, waaronder een aanval in de Duitse opvang en het ontbreken van een hoorzitting. Hij verzocht daarom om nader onderzoek of Nederland zijn aanvraag moest behandelen.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en verweerder mocht aannemen dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt. Eiser slaagde er niet in dit te weerleggen met bewijs. Zijn stellingen waren onvoldoende onderbouwd en er was geen aanleiding voor verweerder om het verzoek onverplicht in behandeling te nemen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.