Eiser, een Iraanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanwege zijn gestelde minderjarigheid, bekering tot het christendom en homoseksuele gerichtheid. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt minderjarig te zijn en zijn verklaringen over bekering en seksuele gerichtheid niet geloofwaardig waren.
De rechtbank oordeelde dat de schouw door deskundige medewerkers correct was uitgevoerd en dat de optische waarnemingen en tegenstrijdige verklaringen van eiser een meerderjarige leeftijd aannemelijk maakten. Het schoolrapport van eiser werd niet als identificerend document erkend. Ook de verklaringen over problemen met politie en het informeren van zijn vader over zijn bekering werden als ongeloofwaardig beoordeeld.
Ten aanzien van de bekering tot het christendom concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende overtuigend kon uitleggen waarom hij afstand nam van de islam en hoe hij tot het christendom kwam. De gestelde vertrouwensband met zijn neef en kennis van het geloof waren onvoldoende om de bekering aannemelijk te maken.
Wat betreft de homoseksuele gerichtheid vond de rechtbank dat eiser onvoldoende blijk gaf van een bewustwordings- en acceptatieproces. Zijn verklaring over een zoen in het park werd als ongeloofwaardig beschouwd, mede omdat hij geen kennis had van LHBT-organisaties en tegenstrijdige verklaringen gaf.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Iran en verklaarde het beroep ongegrond.