ECLI:NL:RBDHA:2018:10141
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening met beroep op medische omstandigheden en werkzaamheden
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, diende op 9 december 2017 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening, welke Nederland heeft bevestigd en Polen heeft geaccepteerd.
Eiser voerde aan dat terugkeer naar Polen een reëel risico op schending van mensenrechten inhoudt, verwijzend naar rapporten over tekortkomingen in de Poolse asielprocedure en opvang, en stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt. Tevens stelde hij dat overdracht aan Polen onevenredige hardheid oplevert vanwege zijn medische situatie en maatschappelijke integratie in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er aan het systeem gerelateerde tekortkomingen zijn die het vertrouwensbeginsel ondermijnen. De aangevoerde rapporten en procedures bieden geen concreet bewijs van een reëel risico op ernstige schade. Ook de medische omstandigheden en sociale bindingen in Nederland zijn onvoldoende om toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van de staatssecretaris. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard.