ECLI:NL:RBDHA:2018:10145
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 14 december 2017 een aanvraag in Nederland in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, lid 1, Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat de asielprocedure en opvang in Duitsland systeemfouten bevatten die leiden tot onmenselijke of vernederende behandelingen, zoals het ontbreken van privacy, slechte opvangomstandigheden, onrechtmatige detentie, psychische klachten en politie-intimidatie. Hij stelde dat overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid oplevert en dat Nederland op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro de aanvraag zelf moet behandelen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systeemfouten in Duitsland die het interstatelijk vertrouwensbeginsel zouden doorbreken. Eiser onderbouwde zijn medische klachten niet met stukken en toonde niet aan dat medische hulp in Duitsland ontoereikend is. Ook was niet gebleken dat de detentie onrechtmatig was. De rechtbank bevestigde dat verweerder terughoudendheid betracht bij toepassing van artikel 17, maar dat in dit geval geen reden was om het verzoek aan zich te trekken.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.J.L. van der Waals en griffier J.C. de Grauw op 19 februari 2018.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.