ECLI:NL:RBDHA:2018:1015
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs doel en binding
Eiser, een Iraanse nationaliteit, vroeg samen met zijn gezin een visum voor kort verblijf aan om zijn broer in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk maakte dat het doel van het verblijf daadwerkelijk was en onvoldoende sociale en economische binding met Iran kon aantonen.
De rechtbank overwoog dat de familierelatie tussen eiser en zijn broer niet met objectief verifieerbare stukken was onderbouwd en dat de economische en sociale binding met het land van herkomst onvoldoende was aangetoond. De enkele stelling van eiser dat hij niet de intentie had om in Nederland te blijven, was onvoldoende om de twijfel weg te nemen.
Verder oordeelde de rechtbank dat het bezwaar van eiser terecht kennelijk ongegrond was verklaard omdat hij geen nieuwe bewijsstukken had overgelegd. Het bestreden besluit was zorgvuldig gemotiveerd en de afwijzing van het visum was terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum is ongegrond verklaard en het visum geweigerd.