ECLI:NL:RBDHA:2018:10459
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek dwangakkoord wegens redelijke weigering schuldeiser ING
Verzoekster heeft een dwangakkoord aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij ING als schuldeiser met een vordering van 82% van de totale schuld het akkoord weigerde te accepteren. De rechtbank beoordeelde of ING in redelijkheid tot deze weigering kon komen.
De rechtbank constateerde dat het aangeboden akkoord een uitkering van slechts 0,61% aan concurrente schuldeisers inhield, wat lager is dan volledige voldoening. ING stelde dat verzoekster onvoldoende medewerking had verleend bij verkoop van haar woning, de woning onbeheerd achterliet en geen fulltime werk had, waardoor het aanbod niet maximaal was. De rechtbank vond dat het netto-inkomen waarop het voorstel was gebaseerd lager was dan het wettelijk minimum en dat onvoldoende was aangetoond dat het akkoord financieel het uiterste was.
Gezien het gewicht van ING’s vordering en de onzekerheid over het maximale haalbare bod, oordeelde de rechtbank dat ING in redelijkheid mocht weigeren. Het verzoek tot dwangakkoord werd daarom afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het toelatingsverzoek tot de schuldsaneringsregeling blijft in behandeling.
Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen omdat ING in redelijkheid mocht weigeren instemming te verlenen.