Uitspraak
Rechtbank den haag
1.Inleiding
2.De procedure
3.Het wrakingsverzoek
4.De beoordeling
5.De beslissing
- de verzoeker en zijn advocaat mr. De Graaff;
- de belanghebbende [belanghebbende] en haar advocaat mr. De Jongh;
- de rechter.
Rechtbank Den Haag
De verzoeker en de belanghebbende zijn voormalige echtgenoten die verwikkeld zijn in een civielrechtelijke procedure over de boedelverdeling. De voorzieningenrechter heeft op 16 mei 2018 een vonnis gewezen in een kort geding tussen deze partijen. De verzoeker is tegen dit vonnis in beroep gegaan. Vervolgens heeft de belanghebbende de verzoeker gedagvaard in een tweede kort geding, dat door dezelfde rechter wordt behandeld.
De verzoeker diende op 31 juli 2018 een wrakingsverzoek in tegen de voorzieningenrechter, stellende dat diens eerdere betrokkenheid bij de eerste zaak aanleiding geeft tot geobjectiveerde twijfel aan zijn onpartijdigheid of de schijn daarvan. De rechter berustte niet in de wraking.
De wrakingskamer oordeelt dat slechts bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot het aannemen van partijdigheid, en dat de enkele omstandigheid van eerdere betrokkenheid onvoldoende is. Er zijn geen bijkomende omstandigheden aangevoerd die dit uitgangspunt wijzigen. Daarom wijst de wrakingskamer het verzoek af en beveelt voortzetting van de procedure onder dezelfde rechter.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens onvoldoende aanwijzingen voor partijdigheid.