Uitspraak
Rechtbank den haag
1.Inleiding
2.De procedure
3.Het wrakingsverzoek
4.De ontvankelijkheid van de verzoeker
5.Wrakingsverbod
6.De beslissing
niet-ontvankelijkin zijn wrakingsverzoek;
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de verzoeker, een huurder, een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die betrokken is bij een procedure tussen hem en Stichting Vestia, de verhuurder. Het verzoek betrof onder meer een vermeende zitting op 12 januari 2018, waarvan de verzoeker stelt dat deze zonder zijn medeweten heeft plaatsgevonden en dat zijn voormalige advocaat niet gemachtigd was. De verzoeker ontdekte dit pas later toen hij een brief ontving over een minnelijke schikking.
De wrakingskamer constateerde dat over een deel van de aangevoerde gronden reeds eerder was beslist in een wrakingsverzoek van februari 2018, dat op 19 maart 2018 was afgewezen. Voor het overige deel was het wrakingsverzoek te laat ingediend, aangezien de verzoeker pas op 3 juli 2018 het verzoek indiende terwijl de omstandigheden hem op 31 mei 2018 bekend waren. De wrakingskamer oordeelde dat de vertraging onvoldoende werd gerechtvaardigd.
Verder legde de wrakingskamer een wrakingsverbod op omdat de verzoeker eerder al een wrakingsverzoek had ingediend dat was afgewezen en het nieuwe verzoek wederom tot vertraging leidde. De kamer achtte het aannemelijk dat nieuwe feiten niet meer zouden ontstaan die een ontvankelijk wrakingsverzoek zouden rechtvaardigen.
De wrakingskamer verklaarde het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk, bepaalde dat de hoofdprocedure wordt voortgezet zoals die stond bij indiening van het wrakingsverzoek, en bepaalde dat deze beslissing aan alle betrokken partijen wordt toegezonden. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en wrakingsverbod opgelegd wegens eerdere afwijzing en te late indiening.