ECLI:NL:RBDHA:2018:10655

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 augustus 2018
Publicatiedatum
5 september 2018
Zaaknummer
NL18.13195
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 Verordening (EU) nr. 604/2013Artikel 18 Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht asielaanvraag aan Duitsland wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

Eiser stelde dat overdracht aan Duitsland een onevenredige hardheid oplevert vanwege zijn psychische problematiek en dreigde met zelfdoding. Hij vond dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld via een aanvullend gehoor of het Bureau Medische Advisering.

De rechtbank oordeelde dat eiser zijn psychische problemen niet met stukken had onderbouwd. De gestelde voorgeschiedenis, waaronder een eerdere zelfmoordpoging in Duitsland en een zwervend bestaan, was niet aangetoond. Daarom hoefde de staatssecretaris geen nader onderzoek te verrichten.

De rechtbank concludeerde dat de humanitaire clausule van artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet van toepassing was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht van de asielaanvraag aan Duitsland wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.13195
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.13196, plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft in beroep niet bestreden dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag omdat eiser eerder in dat land asiel heeft aangevraagd [1] .
2. Eisers beroepsgronden komen erop neer dat verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de aanvraag aan zich had moeten trekken. Eiser voert aan dat overdracht aan Duitsland in zijn geval van een onevenredige hardheid getuigt. Hij voert in beroep aan dat hij bij overdracht zelfmoord zal plegen. Verweerder had volgens hem nader onderzoek moeten verrichten, door bijvoorbeeld het houden van een aanvullend gehoor, of door het inschakelen van het Bureau Medische Advisering.
3. Vooropgesteld wordt dat eiser zijn gestelde psychische of medische problemen niet heeft onderbouwd. Evenmin is de gestelde voorgeschiedenis, dat eiser al in Duitsland een zelfmoordpoging heeft gedaan en dat hij meer dan acht jaar een zwervend bestaan heeft geleid, met enig stuk onderbouwd.
4. Anders dan eiser heeft betoogd, ligt het daarom niet op de weg van verweerder om nader onderzoek te verrichten naar de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van eiser.
5. Verweerder heeft de door eiser gestelde feiten en omstandigheden niet zodanig bijzonder hoeven achten dat toepassing van de humanitaire clausule aangewezen was. Verweerder heeft geen toepassing hoeven geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 9 augustus 2018.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Artikel 18 van Pro de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)