ECLI:NL:RBDHA:2018:10778

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 augustus 2018
Publicatiedatum
7 september 2018
Zaaknummer
NL18.13818
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 lid 1 aanhef en onder d DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. De rechtbank heeft vastgesteld dat Duitsland inderdaad eerder asielaanvragen van eiser heeft behandeld en dat de Duitse autoriteiten hebben ingestemd met terugname op grond van artikel 18 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser een herhaling is van de zienswijze en dat hij niet heeft onderbouwd waarom hij zich niet met de motivering van het bestreden besluit kan verenigen. Ook de stelling van bijzondere, individuele omstandigheden op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening is niet voldoende onderbouwd.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is mondeling gedaan op 16 augustus 2018 in Middelburg door rechter C. van Boven-Hartogh.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.13818
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. A.I. Engelsman),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL18.13819, plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn na afmelding niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser omdat hij daar eerder asiel heeft aangevraagd. Verweerder heeft de Duitse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening [1] . De Duitse autoriteiten zijn hiermee akkoord gegaan op 20 juli 2018.
2. De rechtbank stelt vast dat eisers beroep een herhaling is van wat ook in de zienswijze naar voren is gebracht. In het bestreden besluit is gemotiveerd ingegaan op de zienswijze en eiser onderbouwt in beroep niet waarom hij zich met die motivering niet zou kunnen verenigen. Reeds om die reden heeft eisers beroep geen kans van slagen.
3. Ook eisers stelling dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om het asielverzoek van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen is niet onderbouwd, zodat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien het asielverzoek van eiser aan zich te trekken.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 16 augustus 2018.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend