ECLI:NL:RBDHA:2018:10856
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, een asielzoeker uit Gambia, heeft bij de Nederlandse autoriteiten een aanvraag voor internationale bescherming ingediend. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen en vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat het Duitse systeem van rechtshulp en asielprocedure tekortkomingen vertoont die leiden tot onmenselijke behandeling en dat hij daardoor geen kosteloze rechtsbijstand kan krijgen, wat in strijd zou zijn met artikel 47 van Pro het Handvest.
De rechtbank overwoog dat Duitsland heeft gegarandeerd de aanvraag te behandelen en dat eiser eerder al een asielaanvraag in Duitsland had ingediend die was afgewezen. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de Duitse procedure zodanige systeemfouten bevat dat overdracht in strijd zou zijn met artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. De onzekerheid over de beschikbaarheid van rechtsbijstand en bewegingsvrijheid in Duitsland betreft toekomstige gebeurtenissen die pas aan de orde kunnen komen indien daadwerkelijk een nieuwe aanvraag wordt ingediend.
De rechtbank wees erop dat eiser in Duitsland kan klagen over schendingen en dat het Duitse rechtssysteem objectief en deskundig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Duitsland wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van systeemfouten in de Duitse asielprocedure.