ECLI:NL:RBDHA:2018:10931
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens niet aannemelijk gemaakte identiteit en nationaliteit van minderjarige Eritrese asielzoeker
Eiser, een minderjarige afkomstig uit Eritrea, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij vanwege verdenking van hulp aan vluchtelingen en de daaropvolgende dreiging in Eritrea illegaal was vertrokken. De aanvraag werd door verweerder afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst.
De rechtbank oordeelde dat eiser tegenstrijdige en inconsequente verklaringen had afgelegd over zijn naam en geboortedatum, mede bevestigd door gegevens uit Eurodac waaruit bleek dat hij in Italië andere persoonsgegevens had opgegeven dan in Nederland. Daarnaast had eiser geen originele documenten overgelegd ter ondersteuning van zijn identiteit, en de overgelegde kopie van een doopakte vertoonde weer een andere naam.
Hoewel eiser Tigrinya spreekt en enige kennis over zijn land en woonomgeving kon geven, achtte de rechtbank dit onvoldoende om zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken, mede omdat deze taal ook in andere landen wordt gesproken. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en dat een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas achterwege kon blijven. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de minderjarige asielzoeker wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en nationaliteit.