ECLI:NL:RBDHA:2018:11549
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing inreisverbod en verlaging geldigheidsduur naar twee jaar
Eiser, een Russische staatsburger, kreeg in 2013 een inreisverbod van tien jaar opgelegd wegens een eerdere veroordeling voor poging tot doodslag. Na vrijspraak in hoger beroep voor poging tot doodslag en een lagere straf voor mishandeling, verzocht eiser om opheffing van het inreisverbod. Verweerder wees dit verzoek af maar verlaagde de geldigheidsduur van het inreisverbod naar twee jaar.
Eiser stelde dat het inreisverbod onterecht werd gehandhaafd, onder meer omdat verweerder niet had getoetst aan het Unierechtelijke openbare orde criterium en artikel 8 EVRM Pro. Verweerder stelde dat het inreisverbod niet meer op artikel 66a, zevende lid, Vw was gebaseerd maar op artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, omdat eiser na een terugkeerbesluit niet vrijwillig Nederland had verlaten.
De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd en schorste het onderzoek om verweerder een aanvullend besluit te laten nemen. In het aanvullende besluit werd de nieuwe grondslag voor het inreisverbod duidelijk gemaakt. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het inreisverbod in stand en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten van €1.002,00.
Uitkomst: Het inreisverbod wordt gehandhaafd met een geldigheidsduur van twee jaar en verweerder wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.