ECLI:NL:RBDHA:2018:11736
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens gebrek aan belang bij verdelingsgeschil ex-echtelieden
Verzoekster heeft een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen verweerder wegens een achterstallige kinderalimentatievordering van €17.637,84 en een vordering uit hoofde van betaalde hypotheek en levensverzekering. De rechtbank constateert dat partijen ex-echtelieden zijn met een gezamenlijk eigendom van een woning waarover zij van mening verschillen betreffende de waarde en overwaarde.
Verzoekster wenst in de woning te blijven en stelt dat zij de helft van de overwaarde aan verweerder moet vergoeden. Verweerder stemt in met verrekening van de alimentatievordering met zijn aandeel in de overwaarde. De effectuering van deze verrekening wordt vertraagd door een lopende procedure over de waardebepaling en verdeling van de woning.
De rechtbank oordeelt dat verzoekster onvoldoende belang heeft bij het faillissementsverzoek omdat verweerder voldoende verhaal biedt en de verrekening kan plaatsvinden na afloop van de lopende procedure. Tevens is niet gebleken dat verzoekster niet kan wachten op de uitkomst van deze procedure of niet kan meewerken aan een minnelijke oplossing.
De rechtbank benadrukt dat een faillissementsverzoek niet bedoeld is om een verdelingsgeschil tussen ex-echtelieden op te lossen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af, mede gezien de verstrekkende gevolgen voor verweerder en het ontbreken van voldoende belang bij verzoekster.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van verweerder wordt afgewezen wegens gebrek aan belang en ongeschiktheid voor het oplossen van het verdelingsgeschil.