ECLI:NL:RBDHA:2018:11904
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen intrekking verblijfsvergunning wegens beëindigde relatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Eiser, een Tunesische nationaliteit, had een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij zijn echtgenote. Verweerder trok deze vergunning in nadat was vastgesteld dat de relatie was beëindigd en zij niet langer samenwoonden. Eiser diende bezwaar in tegen de intrekking, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
Eiser voerde aan dat hij door omstandigheden, waaronder het geweigerd worden van toegang tot de woning door zijn echtgenote, niet tijdig bezwaar kon maken en dat hij niet op de hoogte was van de verplichting om zijn vertrek te melden. Tevens verwees hij naar zijn kind met de Nederlandse nationaliteit en artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was omdat eiser nagelaten had de adreswijziging door te geven aan de IND, terwijl hij wist dat hij geen toegang tot de woning had en zelf verantwoordelijk was voor het zorgen dat hij post kon ontvangen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.