ECLI:NL:RBDHA:2018:12159
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige wegens ontbreken zakelijke grondslag en twijfel aan zelfstandigheid
Eiser, een Egyptische langdurig ingezeten derdelander, heeft meerdere malen een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige bij een vennootschap onder firma (vof). Zijn eerdere aanvragen en bezwaren werden afgewezen wegens onvoldoende bestaansmiddelen en gebrek aan zakelijke grondslag.
Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, stellende dat eiser niet heeft aangetoond te voldoen aan de voorwaarden voor de gevraagde vergunning. De rechtbank onderschrijft dit standpunt, waarbij zij onder meer wijst op het feit dat de vof-overeenkomst en de wijzigingen daarvan niet door alle vennoten zijn ondertekend, en dat zakelijke stukken alleen de naam van een andere vennoot vermelden.
Verder is tijdens de hoorzitting gebleken dat eiser feitelijk niet zelfstandig handelt binnen de vof, maar ondergeschikt is aan vennoot 1, die alle belangrijke beslissingen neemt en betalingen verricht. De rechtbank concludeert dat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk arbeid als zelfstandige verricht.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst zij het af. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige wordt ongegrond verklaard.