ECLI:NL:RBDHA:2018:1218
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Cubaans staatsburger wegens ongeloofwaardig relaas
Eiser, een Cubaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij vanwege het politieke lidmaatschap van zijn ouders bij een oppositiepartij in negatieve belangstelling stond en daardoor ernstige discriminatie ondervond. Hij stelde dat dit zijn leven op Cuba onhoudbaar maakte en dat hij als tatoeëerder belemmeringen ondervond in zijn werk.
De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat de identiteit en nationaliteit van eiser aannemelijk waren, maar dat zijn relaas over het lidmaatschap van zijn ouders en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig was. Eiser kon onvoldoende concrete informatie over het politieke verleden van zijn ouders geven en de overgelegde documenten werden niet als authentiek of overtuigend beoordeeld.
Verder stelde de rechtbank vast dat eiser geen aannemelijk verband had gelegd tussen het vermeende lidmaatschap van zijn ouders en de problemen die hij zelf zou ondervinden. De algemene economische omstandigheden en de situatie van tatoeëerders in Cuba werden als onvoldoende zwaarwegend beschouwd. Ook de overgelegde brief van de politie en de stelling dat hij als deserteur zou worden aangemerkt, werden niet overtuigend bevonden.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht geen vertrektermijn had verleend en een inreisverbod had opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag bevestigd.