De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2004, vanwege diens complexe problematiek en ongeschikte thuissituatie. De ondertoezichtstelling was reeds verlengd en de minderjarige verbleef tijdelijk in Bergse Bos, waar een langer verblijf niet verantwoord werd geacht.
De kinderrechter nam kennis van diverse adviezen, waaronder dat van de Raad voor de Kinderbescherming, die een klinische behandelsetting adviseerde omdat de moeder onvoldoende stabiliteit kan bieden en het belang van de minderjarige niet voorop stelt in contacten met de vader. De moeder voerde verweer dat een gezinsopname niet nodig is en dat de minderjarige thuis geobserveerd kan worden, maar dit werd niet gevolgd.
De kinderrechter constateerde onduidelijkheid over de gewijzigde koers van de gecertificeerde instelling, die nu een gezinsopname bij Yulius nastreeft terwijl eerder werd gesteld dat plaatsing bij de moeder niet in het belang was. De kinderrechter achtte zich onvoldoende geïnformeerd over de mogelijke schadelijke gevolgen hiervan.
De machtiging tot uithuisplaatsing werd voor korte duur toegekend van 27 september tot 9 november 2018, met een doorverwijzing naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. Tevens werd de gecertificeerde instelling verzocht het Centrum voor Consultatie en Expertise te consulteren over passende plaatsingsmogelijkheden.
De beschikking werd mondeling gegeven op 25 september 2018 door kinderrechter E.M. Engbers en schriftelijk vastgesteld op 4 oktober 2018. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.