ECLI:NL:RBDHA:2018:1246
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierelatie en binding met land van herkomst
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht op 3 februari 2017 om een visum voor kort verblijf met als doel vakantie bij zijn vermeende tante en haar echtgenoot. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van de familierelatie en twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectiveerbare bewijsstukken had overgelegd om de familierelatie aannemelijk te maken. De overgelegde attesten waren niet op basis van brondocumenten opgesteld en bevatten inhoudelijke onjuistheden, waardoor de minister terecht twijfelde aan het verblijfsdoel.
Daarnaast was er onvoldoende sociale en economische binding met Marokko. Eiser is jong, ongehuwd en heeft geen kinderen. Zijn stelling dat zijn vader ernstig ziek is, was niet onderbouwd. Ook was niet aangetoond dat hij een substantieel inkomen heeft. De rechtbank concludeerde dat de minister de visumaanvraag terecht heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard.