ECLI:NL:RBDHA:2018:1248
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis pleegkinderen Eritrea
Eisers, afkomstig uit Eritrea, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot afwijzing van hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Referente, pleegmoeder van eisers, had de aanvragen ingediend. De rechtbank oordeelt dat de identiteit van eisers niet is aangetoond, aangezien de overgelegde doopaktes niet door autoriteiten zijn afgegeven en relevante documenten ontbreken.
Daarnaast is niet gebleken dat eisers feitelijk tot het gezin van referente hebben behoord vóór haar binnenkomst in Nederland. Ook het gestelde overlijden van de biologische moeders is onvoldoende bewezen, mede door het ontbreken van voogdijdocumenten en toestemming van de biologische vader. De rechtbank acht het ontbreken van bewijsnood relevant en wijst het beroep af.
Verder is geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden, omdat verweerder in redelijkheid kon afzien van het horen in bezwaar. Eisers hebben ook aangevoerd dat eiseres inmiddels in Duitsland verblijft en niet naar Nederland wil, wat de gestelde gezinsband verder ondermijnt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag mvv nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en gezinsband.