ECLI:NL:RBDHA:2018:12612
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot oplegging dwangregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het opleggen van een dwangregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De schuldregeling voorziet in een uitkering aan preferente en concurrente schuldeisers van respectievelijk 10,46% en 5,23% na 36 maanden, tegen finale kwijting van het restant.
Verweersters, bestaande uit drie schuldeisers, hebben het verzoek afgewezen en stelden dat het verzoekschrift niet voldeed aan de wettelijke vereisten. Zij betoogden dat het voorstel onvoldoende duidelijk en betrouwbaar was gedocumenteerd, dat er geen inzicht was in de inspanningen van verzoeker om inkomsten te behouden of te vergroten, en dat het aanbod niet het maximaal haalbare betrof.
De rechtbank oordeelde dat een schuldeiser slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden gedwongen in te stemmen met een schuldregeling. Verzoeker heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de verweersters in redelijkheid niet tot weigering konden komen, mede gelet op het belang van de schuldeisers en de belangen van verzoeker en overige schuldeisers. Het ontbreken van een deugdelijke motivering leidde tot afwijzing van het verzoek.
Verzoeker handhaafde het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, waarover apart vonnis zal worden gewezen. De rechtbank wees het verzoek tot dwangregeling af en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen acht dagen, mits gelijktijdig hoger beroep wordt ingesteld tegen de afwijzing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het verzoek tot oplegging van een dwangregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende motivering en onduidelijkheid over de uitvoering van de schuldregeling.