ECLI:NL:RBDHA:2018:12614
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank oordeelde dat niet aannemelijk is geworden dat verzoekster te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Verzoekster had van 2012 tot 2014 een onderneming, maar leverde geen jaarstukken over de laatste drie jaren, waardoor de rechtbank onvoldoende inzicht kreeg in de financiële situatie en het beheer van de onderneming. Een groot deel van de schulden betreft zakelijke schulden die verzoekster als strovrouw zou hebben aangegaan ten behoeve van een onderneming van haar vader. Verzoekster stelde dat zij niet wist wat zij ondertekende en dat culturele invloeden haar medewerking bepaalden, maar dit werd niet als voldoende onderbouwing geaccepteerd.
Daarnaast was verzoekster aanwezig bij onderhandelingen waarbij forse bedragen gemoeid waren en was zij zich bewust of behoorde zij zich bewust te zijn van haar onvermogen om de schulden te voldoen. Ook werd onvoldoende duidelijkheid gegeven over de wijze waarop de onderneming werd gestaakt en vereffend, en waarom geen aansprakelijkheidstelling van haar vader werd nagestreefd. De rechtbank concludeerde dat verzoekster niet te goeder trouw was en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw van verzoekster.