ECLI:NL:RBDHA:2018:12678
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en herkomst Eritrese asielzoeker
Eiser, een Eritrese asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van vreemdelingenrecht, stellende te vrezen voor militaire dienstplicht in Eritrea. Hij gaf aan dat zijn vader militair was en dat hij een oproep ontving om zich te melden bij de gevangenis, wat hem deed besluiten het land illegaal te verlaten.
De Staatssecretaris wees de aanvraag af wegens het niet aannemelijk maken van identiteit, nationaliteit en herkomst. Eiser kon geen documenten overleggen ter ondersteuning van zijn identiteit en werd tegengeworpen dat hij in Italië geregistreerd staat met een andere geboortedatum. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende inspanningen had verricht om bewijs te leveren en dat de registratie in Italië als betrouwbaar mocht worden beschouwd.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld en dat zijn verklaringen over woonomgeving en reisroute meegewogen hadden moeten worden. De rechtbank stelde dat zonder aannemelijke identiteit en herkomst het asielrelaas niet verder hoefde te worden beoordeeld.
Ten slotte concludeerde de rechtbank dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen wegens ongeloofwaardige identiteit en herkomst.