ECLI:NL:RBDHA:2018:1274
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 13 februari 2017 een visum voor kort verblijf aan om familie te bezoeken en een bruiloft bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het doel van het verblijf kon aantonen en het land tijdig zou verlaten.
Eiser maakte bezwaar tegen deze weigering, maar dit bezwaar werd door verweerder kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat verweerder terecht een ruime beoordelingsruimte had bij het toetsen van het voornemen van eiser om het Schengengebied tijdig te verlaten. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende sociale binding met Marokko had, mede omdat hij een gezin had waarvan slechts een deel in Marokko woont en hij geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen in Marokko kon aantonen.
Ook de economische binding was onvoldoende onderbouwd; de overgelegde documenten toonden niet aan dat eiser daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte en substantieel inkomen genereerde in Marokko. De rechtbank vond dat verweerder terecht het bezwaar kennelijk ongegrond had verklaard en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard.