ECLI:NL:RBDHA:2018:12846

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 oktober 2018
Publicatiedatum
30 oktober 2018
Zaaknummer
NL18.18813
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) 604/2013artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang in Dublinprocedure

Eiser heeft op 18 juli 2018 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit Eurodac bleek dat hij op 24 januari 2018 al een verzoek om internationale bescherming in Slovenië had ingediend. Nederland heeft op basis van de Dublinverordening een terugnameverzoek aan Slovenië gedaan, dat hiermee instemde. Het bestreden besluit van 11 oktober 2018 nam de asielaanvraag van eiser niet in behandeling omdat Slovenië verantwoordelijk is.

In het besluit is vermeld dat eiser rond 22 augustus 2018 zonder afwachten van de beslissing vertrok en dat Nederland op 25 september 2018 een claimverzoek vanuit Frankrijk ontving. Ter zitting bleek dat eiser in vreemdelingenbewaring in Frankrijk zit. De rechtbank oordeelt dat eiser daardoor geen belang meer heeft bij inhoudelijke behandeling van zijn beroep.

Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig bij de zitting en hebben niet gereageerd op de verstrekte informatie. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.18813

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.18814, plaatsgevonden op 23 oktober 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser heeft op 18 juli 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 24 januari 2018 in Slovenië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de Sloveense autoriteiten op 27 juli 2018 gevraagd om eiser op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) terug te nemen. De Sloveense autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 3 augustus 2018 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.
In het bestreden besluit is opgenomen dat eiser op of omstreeks 22 augustus 2018 met onbekende bestemming is vertrokken zonder de beslissing op zijn asielaanvraag af te wachten. Voorts is in het bestreden besluit opgenomen dat Nederland op 25 september 2018 een claimverzoek vanuit Frankrijk heeft ontvangen. Ter zitting is gebleken dat eiser in Frankrijk in vreemdelingenbewaring zit.
De rechtbank overweegt dat uit hetgeen hiervoor is opgenomen blijkt dat eiser geen belang meer hecht aan een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en er daarmee geen sprake meer is van een procesbelang. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat deze vooronderstelling onjuist is en daarmee dat er nog sprake is van procesbelang. De rechtbank stelt vast dat van de zijde van eiser geen reactie is ontvangen op de door verweerder verstrekte informatie in het bestreden besluit. Evenmin was (de gemachtigde van) eiser ter zitting aanwezig voor een nadere reactie.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.