Eisers, minderjarige broer en zus met de Afghaanse nationaliteit, hadden hun verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die geldig was tot 13 maart 2018. Zij dienden hun verlengingsaanvragen op 23 april 2018 in, na het verlopen van hun vergunningen, waardoor een verblijfsgat ontstond. De staatssecretaris weigerde de verlenging met ingang van 14 maart 2018 en stelde dat het tijdig indienen de eigen verantwoordelijkheid van eisers was.
Eisers voerden aan dat zij de verlenging voor hun moeder digitaal hadden aangevraagd, maar dat het voor henzelf niet lukte, waardoor zij ten onrechte dachten dat dit geregeld was. De rechtbank oordeelde dat de minderjarigheid van eisers onvoldoende was meegewogen en dat het motiveringsgebrek bestond omdat de staatssecretaris niet aannemelijk had gemaakt dat de te late indiening aan eisers kon worden toegerekend.
Daarnaast wees de rechtbank op het gewijzigde, gunstigere beleid van de staatssecretaris dat onderbrekingen in het verblijfsrecht bij te late aanvragen moet voorkomen. Het standpunt van de staatssecretaris om dit beleid niet toe te passen op de eisers werd als excessief formalistisch beoordeeld. De beroepen werden gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten.