ECLI:NL:RBDHA:2018:13214
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinterugname door Zweden
Eiser, een Tunesische staatsburger, diende op 2 september 2018 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, waarbij Nederland een verzoek tot terugname aan Zweden had gedaan en dit verzoek was aanvaard.
Eiser voerde aan dat hij na afwijzing van zijn eerdere asielaanvraag in Zweden drie maanden buiten de EU zou hebben verbleven, wat niet werd onderbouwd. Ook stelde hij dat Zweden zich niet aan internationale verplichtingen zou houden vanwege een misdrijf dat hij in Zweden zou hebben gepleegd, waardoor hij risico zou lopen op refoulement. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Zweden gebonden is aan het Vluchtelingenverdrag en het EVRM.
Verder wees de rechtbank erop dat Zweden als EU-lidstaat gebonden is aan relevante richtlijnen en dat eiser geen klachten had ingediend bij Zweedse autoriteiten. De rechtbank concludeerde dat de procedure alleen ging over de verantwoordelijke lidstaat en dat eiser zijn asielmotieven in Zweden kan voorleggen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.