Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Overwegingen
Op 13 oktober 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft vervolgens een besluit tot toegangsweigering uitgesteld voor de duur van het onderzoek in de grensprocedure.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 oktober 2017, voor zover daarbij aan hem een vertrektermijn is onthouden en tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd. Tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is hij niet opgekomen. Bij uitspraak van 23 november 2017 (NL17.12062) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep van eiser ongegrond verklaard.
Het beroep, gericht tegen de toegangsweigering (zaaknummer NL17.15337)
Eiser voert aan dat de toegangsweigering van 29 november 2017 in strijd met de Schenengrenscode geen individuele beoordeling bevat.
Met het asielverzoek van eiser op 13 oktober 2017 is het besluit tot toegangsweigering van 30 september 2017 vervallen, omdat eiser met zijn asielverzoek in feite te kennen heeft gegeven vanaf dat moment langdurig verblijf in Nederland te beogen. In verband daarmee moest zijn situatie opnieuw worden beoordeeld. Verweerder heeft daarom op 13 oktober 2017 een (nieuw) besluit over de toegang tot Nederland uitgesteld voor de duur van de asielprocedure. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 3, zesde lid, Vw het besluit van 31 oktober 2017 geldt als de toegangsweigering (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451, onder punt 6). Dat eiser op dat moment in strafrechtelijke detentie verbleef, maakt niet dat geen sprake was van een behandeling van de aanvraag van eiser in de grensprocedure. Aan hem was immers geen toegang verleend, zodat sprake was een asielaanvraag aan de grens als bedoeld in artikel 3, derde lid, Vw.
Volgens eiser heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 5 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 6 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
Verweerder verwijst verder naar het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee (KMar) van 4 januari 2018, waaruit blijkt dat in het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de maatregel het voor de verbalisant niet mogelijk is geweest om eiser duidelijk te maken dat hij de mogelijkheid heeft beroep in te stellen tegen de maatregel. Eiser wilde halverwege het gesprek niets meer zeggen en reageerde nergens meer op. Volgens verweerder komt dit voor zijn eigen risico.
Het voorgaande klemt te meer nu eiser, zoals volgt uit de processen-verbaal van de KMar van 29 november 2017 en 4 januari 2018, ook niet mondeling erop is gewezen dat hij recht heeft om beroep in te stellen tegen de opgelegde maatregel en dat hij recht heeft op een kosteloze advocaat.
Beslissing
- verklaart het beroep gericht tegen de toegangsweigering (NL17.15337) niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel (NL17.15286) gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 3.040,-, te betalen door de griffier;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.