ECLI:NL:RBDHA:2018:13832
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning familieleven
Verzoeker, een Surinaamse nationaliteit, diende op 2 november 2017 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvraag werd op 9 mei 2018 afgewezen omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet vrijgesteld was van het mvv-vereiste. Tevens ontbrak een geldig paspoort of een verklaring dat dit niet kon worden verkregen.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat er sprake was van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie met zijn broer, die ernstige medische problemen heeft en waarvoor hij de enige zorgverlener is. Hiervoor overhandigde hij diverse medische verklaringen.
De voorzieningenrechter overwoog dat in een eerdere procedure reeds was vastgesteld dat niet is aangetoond dat anderen de zorg voor de broer niet kunnen overnemen, waardoor verzoeker niet de enige verzorger is. Hierdoor was niet op voorhand duidelijk dat het bezwaar een redelijke kans van slagen had. Ook werd geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat het horen van verzoeker in bezwaar kon worden achterwege gelaten.
Op grond van deze overwegingen wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.