ECLI:NL:RBDHA:2018:13834
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting maatregel van bewaring na verlopen overdrachtstermijn Dublinverordening
Eiser werd op 16 september 2018 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 ten behoeve van overdracht naar Bulgarije. De maatregel van bewaring duurde voort, waarop eiser beroep instelde tegen het voortduren hiervan en tevens schadevergoeding vorderde.
De rechtbank toetste of de maatregel van bewaring sinds het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was. Eiser stelde dat de overdrachtstermijn van zes weken, zoals bepaald in artikel 28 van Pro de Dublinverordening, was verstreken zonder dat de overdracht had plaatsgevonden. De rechtbank stelde vast dat de termijn van zes weken begon te lopen vanaf de acceptatie van het terugnameverzoek door Bulgarije op 19 september 2018, en dat deze termijn op 31 oktober 2018 eindigde.
Verweerder voerde opschortende werking aan door het instellen van beroep en een verzoek om voorlopige voorziening, maar de rechtbank oordeelde dat hiervoor geen nationale wettelijke grondslag bestond. Daardoor was de voortzetting van de maatregel van bewaring vanaf 31 oktober 2018 onrechtmatig.
De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring, kent eiser een schadevergoeding toe van €480,- voor zes dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt de Staat in de proceskosten van €1.002,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig voortgezet na het verstrijken van de zeswekentermijn en wordt per direct opgeheven met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.