ECLI:NL:RBDHA:2018:13835
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening met Zwitserland
Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij eerder asiel had aangevraagd in Zwitserland en Duitsland. De Nederlandse staatssecretaris nam zijn aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Zwitserland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser stelde dat Zwitserland tekortkomingen vertoont in de asielprocedure en dat hij risico loopt op indirect refoulement, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast. Hij verwees naar rapporten en eerdere jurisprudentie ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat er ernstige structurele tekortkomingen zijn. Het feit dat Nederland een ander beleid voert ten aanzien van Eritrese asielzoekers doet hieraan niet af. De rechtbank volgde eerdere uitspraken dat klachten over schendingen in Zwitserland bij de Zwitserse autoriteiten moeten worden ingediend.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.