ECLI:NL:RBDHA:2018:13996
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende aantonen verblijfsdoel en binding met verblijfsland
Eiser, een Nigeriaanse burger, diende op 11 september 2017 een aanvraag in voor een visum kort verblijf om een vriend in Nederland te bezoeken. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat het verblijfsdoel en de omstandigheden onvoldoende waren aangetoond en er onvoldoende sociale en economische binding met het land van verblijf, Maleisië, bestond.
Eiser stelde dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd en dat hij voldoende had aangetoond dat hij de referent in Nederland wilde bezoeken en dat zijn studie in Maleisië een tijdige terugkeer garandeerde. Tevens voerde hij aan dat hij in bezwaar had moeten worden gehoord.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het verblijfsdoel en de omstandigheden voldoende waren onderbouwd, mede omdat de vriendschapsrelatie niet was onderbouwd en het laatste contact in 2012 was. Ook was onvoldoende aangetoond dat eiser een sterke sociale en economische binding met Maleisië had, aangezien hij alleen woonde, geen gezin of familie in Maleisië had, geen bewijs van studie of werk kon overleggen.
De rechtbank stelde dat de Staatssecretaris terecht kon afzien van het horen van eiser in bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.