ECLI:NL:RBDHA:2018:14438

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 november 2018
Publicatiedatum
5 december 2018
Zaaknummer
NL18.23002
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 41 Richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij tweede opvolgende asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid

Verzoeker, een volledig blinde en kwetsbare asielzoeker, had een tweede opvolgende asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat zijn opvangvoorzieningen waren beëindigd.

De voorzieningenrechter overwoog dat het indienen van een beroepschrift niet leidt tot opschorting van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en dat op grond van de toepasselijke EU-richtlijn bij een tweede opvolgende aanvraag geen verplichting bestaat om opvang te verlenen tijdens de beroepsprocedure. Verzoeker had onvoldoende onderbouwd waarom de voorlopige voorziening moest worden toegewezen.

Daarom werd het verzoek afgewezen, waarbij het belang van de staatssecretaris om het besluit onverkort te handhaven zwaarder woog dan het belang van verzoeker om in Nederland te blijven met behoud van opvang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de tweede opvolgende asielaanvraag is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.23002

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter

van 30 november 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], verzoeker, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. Y. Tamer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

ProcesverloopBij besluit van 28 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker stelt dat de opvangvoorzieningen door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers aan hem beëindigd zijn. Verzoeker is volledig blind en is een kwetsbare asielzoeker. Op dit moment heeft verzoeker geen enkele opvang. Daarom heeft verzoeker de voorzieningenrechter op 30 november 2018 verzocht om met spoed een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aanvraag van verzoeker een tweede opvolgende asielaanvraag betreft die bij het bestreden besluit is afgewezen als kennelijk ongegrond. De eerder door verzoeker ingediende asielaanvragen zijn bij besluiten van respectievelijk 3 januari 2017 en 17 oktober 2017 afgewezen als ongegrond en als kennelijk ongegrond.
4. In de rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit staat vermeld dat het indienen van een beroepschrift door verzoeker niet het gevolg heeft dat de rechtsgevolgen van dit besluit worden opgeschort. De behandeling van het beroepschrift mag verzoeker dan ook niet in Nederland afwachten.
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen de juistheid van de rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit. Overeenkomstig artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2013/32/EU is verweerder in het geval van een opvolgende asielaanvraag waarbij een eerdere opvolgende aanvraag als (kennelijk) ongegrond is afgewezen niet verplicht om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten en opvang aan verzoeker te verlenen gedurende de behandeling van het door hem ingediende beroepschrift.
6. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aangevoerd waarom het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen. Nu het een tweede opvolgend asielverzoek betreft, is het aan verzoeker om zijn verzoek gedegen te onderbouwen. De enkele stelling dat hij een kwetsbaar persoon is omdat hij volledig blind is, acht de voorzieningenrechter onvoldoende. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter niet in dat het belang van verzoeker om het beroep in Nederland af te wachten met behoud van opvang zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij onverkorte handhaving van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier, op 30 november 2018.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.