ECLI:NL:RBDHA:2018:14564
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overplaatsing naar Justitiële Jeugdinrichting wegens kennelijke misslag
Een 23-jarige gedetineerde, verdachte van mishandeling, werd aanvankelijk geplaatst in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI) op basis van een bevel van de rechtbank Amsterdam. De reclassering had geadviseerd tot plaatsing in een JJI vanwege zijn leeftijd en pedagogische behoeften. De officier van justitie was echter niet voornemens om toepassing van het adolescentenstrafrecht (ASR) te vorderen, wat noodzakelijk is voor plaatsing in een JJI volgens de wettelijke bepalingen.
De rechtbank Den Haag beoordeelde in kort geding het verzoek van de gedetineerde om overplaatsing naar een JJI. Uit de stukken bleek dat de officier van justitie geen toepassing van het ASR beoogde en dat het eerdere bevel tot plaatsing in een JJI op een kennelijke misslag berustte. De reclassering gaf later aan dat plaatsing in een penitentiaire inrichting (PI) passend was vanwege een ISD-indicatie en pedagogische overwegingen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de Staat niet onrechtmatig handelde door de gedetineerde niet in een JJI te plaatsen. De vordering werd afgewezen en de gedetineerde werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukte de wettelijke kaders rond plaatsing van jongvolwassenen en de rol van de officier van justitie bij de toepassing van het ASR.
Uitkomst: De vordering tot overplaatsing naar een Justitiële Jeugdinrichting wordt afgewezen wegens een kennelijke misslag in het eerdere bevel.