Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Bewijsoverwegingen
- als er goederen uit de bewuste woningen bleken te zijn weggenomen: als diefstal in vereniging (dit betreft de zaken 2.1, 2.2, 2.3, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.11, 2,14, 2.15, 2.16, 2.17, 2.19, 2.20, 2.21, 2.22, 2.23. 2.24, 2.25 en 2.30, feit 1 op dagvaarding I);
- in die gevallen waarin er niets uit de bewuste woningen bleek te zijn weggenomen: als een poging tot diefstal in vereniging (dit betreft de zaken 2.4, 2.5, 2.13, 2.18 en 2.28, feit 2 op dagvaarding I);
- als er geld van de bankrekeningen van de slachtoffers bleek te zijn opgenomen: als diefstal in vereniging met valse sleutel (dit betreft de zaken 2.1, 2.2, 2.8, 2.9, 2.17, 2.21 en 2.24, feit 3 op dagvaarding I);
- in die gevallen waarin de slachtoffers hun pincode afgaven, maar er geen geld van hun bankrekeningen bleek te zijn opgenomen: als oplichting in vereniging (dit betreft de zaken 2.22 en 2.25, feit 4 op dagvaarding I);
- als de pincode niet werd afgegeven: als poging oplichting in vereniging (dit betreft de zaken 2.6. 2.14 en 2.15, feit 5 op dagvaarding I).
Het kan niet anders zijn dan dat de man die een bezoek bracht aan de woningen van de slachtoffers, één of meer handlangers had. Op een andere manier valt immers niet te verklaren dat er ongezien geld en goederen uit de woningen hebben kunnen verdwijnen, terwijl de man de bewoonsters bezighield en aan de praat hield.
Verder geldt in zijn algemeenheid dat de betrouwbaarheid van een herkenning wordt versterkt als er meerdere verbalisanten zijn die stellen de betreffende persoon op de beelden te herkennen.
- de conclusies van het NFI niet aansluiten bij, namelijk qua bewijswaarde minder sterk zijn dan, de conclusies van de verbalisanten;
- het NFI in enkele gevallen het beeldmateriaal voor haar onderzoek niet geschikt heeft bevonden, terwijl de verbalisanten op datzelfde materiaal hun herkenningen hebben gegrond.
NFI-onderzoek dan ook ieder op hun eigen merites beoordelen.
[nummer 1] . De man aan de andere kant van de lijn vertelde haar dat de waterleiding op de vierde etage was gesprongen. Hij vroeg haar of zij haar deur wilde opendoen, zodat naar de lekkage kon worden gekeken. [slachtoffer 2] is hierop naar haar buurvrouw, [buurvrouw] , gegaan en heeft via de intercom de deur van het portiek opengedaan. Vervolgens kwam er een man naar boven, die leek te schrikken toen hij [slachtoffer 2] en haar buurvrouw zag staan. Hij maakte met zijn hand een seinende beweging en verdween via de lift weer naar beneden. Daarna stapte hij samen met twee andere mannen en een vrouw, in een donkergroene auto en reed hij weg. [slachtoffer 2] heeft de man die naar boven kwam omschreven als: blank, ongeveer 1.90 meter lang, fors, met donkerblond haar.
[verbalisant 1] heeft gerelateerd dat op de beelden te zien is dat op 5 september 2017 om 16:52:15 uur twee mannen en een vrouw op de lift stonden te wachten. Om 16:52:30 uur stapten alle drie de personen de lift in, om op de vierde etage uit te stappen. Om 17:10:10 uur kwamen dezelfde personen terug bij de lift, waarna zij om 17:10:42 uur op de begane grond weer uit de lift stapten. [3]
[verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben de persoon die op deze beelden wordt aangeduid als verdachte 1 herkend als [medeverdachte 1] . [4] De verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 7] en [verbalisant 8] hebben de persoon die wordt aangeduid als verdachte 2 herkend als [verdachte] . [5]
veel waarschijnlijkerzijn als de persoon op de stills dezelfde is als [medeverdachte 1] , dan wanneer het iemand anders dan [medeverdachte 1] is. De derde onderzoeker heeft geconcludeerd dat de bevindingen van het onderzoek
waarschijnlijkerzijn als de persoon op de stills dezelfde is als de verdachte [medeverdachte 1] , dan wanneer het iemand anders dan de verdachte [medeverdachte 1] is. [6] Met betrekking tot [verdachte] hebben de onderzoekers geconcludeerd dat de bevindingen van het onderzoek
zeer veel waarschijnlijkerzijn als de persoon op de stills dezelfde is als [verdachte] , dan wanneer het iemand anders dan [verdachte] is. [7]
[kenteken 2] ). Net als de officier van justitie, zal de rechtbank deze feiten daarom als één cluster aanmerken en behandelen. De rechtbank zal de twee zaken eerst afzonderlijk bespreken en vervolgens tot een conclusie komen.
1.80-1.85 meter lang, met een stevig/fors postuur die een donkerblauw fleecejack met hemelsblauw bedrijfslogo droeg. Man NN2 (‘ [bijnaam] ’) was volgens aangeefster een blanke man, van circa 25 jaar oud, 1.70-1.75 meter lang, met een smalle neus en hij droeg een zwart mutsje en een zwart jack.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
7.De toepasselijke wetsartikelen
8.De beslissing
3 (DRIE) MAANDEN;